gebouw-smeets-gijbels

  • Home
  • Nieuws
  • De uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019 in perspectief geplaatst: wat zijn de consequenties voor de rechtspraktijk?

De uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019 in perspectief geplaatst: wat zijn de consequenties voor de rechtspraktijk?

Publicatiedatum: 18 september 2019

Eva de Jong, Caroliene Mellema 
Tijdschrift Relatierecht en Praktijk, nummer 6, september 2019

De Hoge Raad had zich tot dusver niet uitgesproken over de vraag of een echtgenoot een reprise heeft
indien er – nadat diens privévermogen in de gemeenschap is gevloeid – met dit vermogen consumptieve
bestedingen zijn gedaan. In de literatuur en jurisprudentie bestaan hierover verschillende opvattingen.
Op 5 april 2019 wees de Hoge Raad in dit kader een belangrijk arrest (ECLI:NL:HR:2019:504) en is
duidelijk geworden dat ook sprake kan zijn van een vergoedingsrecht in het geval er met privévermogen
consumptieve bestedingen zijn voldaan. In dit artikel bespreken de auteurs de implicaties van dit arrest voor
de rechtspraktijk.

In het geval waarover de Hoge Raad had te oordelen, ging het over een huwelijk gesloten vóór 1 januari 2018. Met de inwerkingtreding van de ‘Wet beperking wettelijke gemeenschap van goederen’ per 1 januari 2018 zal deze problematiek – gezien de verschillende privévermogens die alsdan ontstaan – naar verwachting steeds vaker op gaan spelen, waarmee dit arrest in toenemende mate van belang zal zijn voor de rechtspraktijk. Wat heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 5 april 2019 bepaald en op welke wijze zal dit van invloed zijn op de rechtspraktijk?

Wettelijk kader

In de praktijk komt het vaak voor dat privévermogen van een in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoot wordt vermengd met gemeenschapsvermogen waarmee vervolgens kosten van de huishouding en andere uitgaven worden voldaan. Deze vermogensverschuivingen kunnen leiden tot vergoedingsrechten.

Reprise en récompense
Art. 1:87 BW is het kernartikel van de regeling van vergoedingsrechten. De regeling ziet voornamelijk op vergoedingsrechten die ontstaan bij vermogensverschuivingen tussen de privévermogens van echtgenoten. Vergoedingsrechten die ontstaan bij vermogensverschuivingen tussen de privévermogens van echtgenoten enerzijds en de gemeenschap anderzijds worden beheerst door art. 1:95 en art. 1:96 BW. In art. 1:96 lid 4 en 5 BW wordt onderscheid gemaakt tussen tweesoortige vergoedingsrechten, de zogenoemde ‘reprise’ en de ‘récompense’. De ‘reprise’ ziet op een vergoedingsrecht van een echtgenoot op degemeenschap, dat ontstaat wanneer er gemeenschapsschulden vanuit het eigen vermogen van een echtgenoot worden voldaan. De ‘récompense’ ziet op een vergoedingsrecht van de gemeenschap op een echtgenoot, dat ontstaat wanneer een echtgenoot een privéschuld voldoet uit vermogen van de gemeenschap (art. 1:96 lid 5 BW). De wet lijkt geen onderscheid te maken in de aard van de schuld die wordt voldaan voor het doen laten ontstaan van het vergoedingsrecht.(1) Tot 2012 waren vergoedingsrechten in beginsel nominaal. Sinds de inwerkingtreding van de Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen in 2012 zijn deze vergoedingsrechten gekoppeld aan de leer van de economische deelgerechtigdheid van art. 1:87 lid 2 BW. Waardefluctuaties van het goed waarop de vergoedingsrechten betrekking hebben, beïnvloeden hierbij de hoogte van het vergoedingsrecht. De beleggingsleer geldt echter niet als het privévermogen consumptief wordt besteed. Uit art. 1:87 lid 3 letter b BW, dat conform art. 1:95 lid 2 BW van toepassing is op ‘reprises’, volgt dat de vergoeding ter zake van goederen die naar hun aard bestemd zijn om te worden verbruikt steeds nominaal is. Hiermee lijkt er door de wet sinds 2012 – voor de omvang van het vergoedingsrecht – wel een onderscheid te worden gemaakt in de aard van de gemeenschapsschuld die is voldaan.(2)

Kosten van de huishouding, art. 1:84 BW
Wanneer geld van een echtgenoot wordt gebruikt om consumptieve bestedingen te dekken die kwalificeren als
kosten van de huishouding in de zin van art. 1:84 BW,
geeft art. 1:84 lid 1 BW een regeling voor de draagplicht
daarvan. Ook kosten van de huishouding leveren gemeenschapsschulden op, ongeacht hoe ingevolge art. 1:84 BW de draagplicht ter zake van deze kosten is verdeeld.(3) Art. 1:84 BW vormt daarmee – ten aanzien van de draagplicht van de kosten van de huishouding – een lex specialisten opzichte van art. 1:96 BW.(4)

Literatuur

In de literatuur bestaan verschillende visies over de vraag of degene die onder uitsluitingsclausule geschonken bedragen heeft ontvangen welke in de gemeenschap zijn gevloeid van waaruit consumptieve bestedingen zijn gedaan, vervolgens een ‘reprise’ toekomt. Grofweg zijn twee stromingen te onderscheiden, die ook door A-G Lückers in haar conclusie bij het arrest van 5 april 2019 uiteen worden gezet.(5) 

Wel vergoedingsrecht consumptieve bestedingen
Enerzijds wordt betoogd dat een vergoedingsrecht direct, ontstaat wanneer privévermogen wordt gestort op een gemeenschapsrekening. Door bijschrijving op de gemeenschapsrekening passeert het geld ‘de poort van de gemeenschap’ en dat is voldoende om een vergoedingsrecht te laten ontstaan.(6) Deze opvatting volgend maakt het dus niet uit waar het bedrag vervolgens aan is besteed. Onder meer Breederveld en Nuytinck hebben zich voorstander betoond van deze visie.(7) Ook Zonnenberg lijkt voorstander van dit standpunt te zijn.(8) Wel brengt Zonnenberg hier een nuance op aan. Hij meent dat als privégeld voor korte tijd op de gemeenschapsrekening wordt geparkeerd met als doel te worden doorgesluisd naar een privérekening, of te worden aangewend voor de aankoop van een onroerende zaak, er geen sprake is van vermenging van privévermogen met gemeenschapsgeld. In dat geval is er volgens hem geen vergoedingsrecht
ontstaan.(9)

Geen vergoedingsrecht consumptieve bestedingen
Anderzijds wordt in de literatuur betoogd dat er geen vergoedingsrecht ontstaat als het privévermogen consumptief is besteed. Voorstander van deze visie is Meijer. Zij neemt als vuistregel aan dat bij consumptieve besteding van onder uitsluitingsclausule verkregengelden er geen vergoedingsrecht is ontstaan.(10) Als het saldo van de gemeenschap het echter toelaat, ontstaat er wel een vergoedingsrecht. De gemeenschap zou immers minder positief zijn geweest als de opbrengst van het uitgesloten goed hiervoor niet was
besteed, aldus Meijer.(11)

Alternatieve zienswijze
Subelack staat een – ten opzichte van bovenstaande stromingen – alternatieve benadering van voornoemde problematiek voor. Hij is van mening dat het enkele feit dat een privévordering op een gemeenschapsrekening wordt uitbetaald nog niet betekent dat daarmee het bedrag tot de huwelijksgemeenschap is gaan behoren.(12)

Naar de mening van Subelack is de rekening-courantverhouding (lees: de gemeenschappelijke bankrekening) tegenover de bank niet ondeelbaar maar kunnen hierin losse vorderingen op de bank worden onderscheiden, ook al kan afzonderlijke nakoming daarvan niet worden gevorderd.(13,14) Dit betekent volgens Subelack dat de enkele uitbetaling van een privévordering op een gemeenschapsrekening (nog) niet meebrengt dat daardoor de gemeenschap is gebaat en daarmee een vergoedingsrecht is ontstaan.(15) Deze visie van Subelack lijkt steun de krijgen in de uitspraak van de Hoge Raad van 23 februari 2018.(16) De Hoge Raad lijkt in deze uitspraak aan te geven dat het storten van een (verknochte) geldsom op een bankrekening van de gemeen-schap niet onverkort leidt tot (oneigenlijke) vermenging van deze gelden met de gemeenschap.(17) Subelack staat niet alleen in deze benadering. Ook Brink-man geeft aan dat geld op een bankrekening als een zelf-standig goed moet worden gekwalificeerd en wijst in dit kader nog naar de zaaksvervangingsregeling van art. 1:95 BW.(18) Bij verschillende cursussen verzorgd door Breeder-veld lijkt er een kentering in de zienswijze van Breederveld op dit punt te kunnen worden waargenomen. Ook naar onze mening hoeft er geen sprake te zijn van (oneigenlijke) vermenging wanneer er een uitbetaling van een privévordering op de en/of-rekening van beide echt-genoten wordt gedaan, maar is (oneigenlijke) vermenging ook niet uitgesloten.(19) Zeker in de casus welke Zonnen-berg schetst, waarbij het privégeld voor korte tijd op de gemeenschapsrekening wordt geparkeerd met als doel te worden doorgesluisd naar een privérekening of te worden aangewend voor de aankoop van een onroerende zaak, lijkt van (oneigenlijke) vermenging geen sprake te zijn. Anders dan Subelack zijn wij van mening dat het privévermogen in een dergelijk geval wel op een later moment van kleur kan verschieten. Dit heeft te maken met het feit dat (oneigen-lijke) vermenging geen materieelrechtelijke wijze van eigen-domsverkrijging betreft, zodat de (oneigenlijke) vermenging wat ons betreft ook op een later moment kan plaatsvinden dan op het moment dat het geld op de gemeenschapsrekening wordt gestort.

Rechtspraak 

The battle of the courts of appeal, zo zou de rechtspraak van de afgelopen jaren over deze vraag kunnen worden omschreven. Evenals in de literatuur bestond ook in de rechtspraak geen eenduidig antwoord hierop, met als gevolg uiteenlopende jurisprudentie op dit punt.

Wel vergoedingsrecht consumptieve bestedingen
Het Hof ’s-Hertogenbosch zit op de lijn dat geen vergoedingsvordering wordt toegekend als de met uitsluiting ontvangen gelden consumptief waren besteed. In de afgelopen jaren kreeg het hof meerdere keren hierover te oordelen.(20) In zijn uitspraken past het hof het op=op-principe toe: de echtgenoot komt geen vergoedingsrecht toe, omdat de onder uitsluitingsclausule verkregen gelden niet meer traceerbaar aanwezig zijn op de gemeenschapsrekening en niet is komen vast te staan welke specifieke uitgaven van dit geld zijn voldaan. Het hof concludeert dat het privégeld is opgegaan aan bestedingen die geen aanleiding geven tot een vergoedingsrecht.

Geen vergoedingsrecht consumptieve bestedingen
Het Hof Arnhem-Leeuwarden daarentegen zit op de lijn dat wél een nominaal vergoedingsrecht wordt toegekend als het geld consumptief is besteed. Het hof meent dat de storting van privégeld op een gemeenschappelijke rekening voldoende is om een vergoedingsrecht te doen ontstaan en slaat geen acht op eventuele bestedingen. Het hof heeft deze lijn ingezet met een uitspraak van 17 januari 2013 en is sindsdien daar niet van afgeweken.(21) De uitspraken van het Hof Arnhem-Leeuwarden zijn in lijn met het gros van de uitspraken van de lagere rechtspraak.(22) Het merendeel van de lagere rechtspraak bepaalt: er is een vergoedingsrecht op de gemeenschap ter hoogte van het nominale bedrag, indien en voor zover het geld in de gemeenschap is gevloeid, ongeacht waar het geld vervolgens aan is uitgegeven. 

Gulden middenweg
Tussen de uitgangspunten van het Hof ’s-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden bestaat ook een middenweg. Deze wordt bewandeld door het Hof Den Haag. Met het Hof Arnhem-Leeuwarden gaat het Hof Den Haag ervan uit dat wanneer het privévermogen ‘de poort van de gemeenschap’ heeft gepasseerd een vergoedingsrecht ontstaat. Tot zover dus niets nieuws. Vervolgens wordt door het Hof Den Haag de rechtsvraag beantwoord of het vergoedingsrecht jegens de gemeenschap kan worden verzilverd. Ter illustratie een uitspraak van 11 oktober 2017.(23) Het hof krijgt te oordelen over de vraag of de man een vergoedingsrecht heeft op de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap omdat hij van zijn ouders € 148.000 onder een uitsluitingsclausule heeft geërfd. Het hof oordeelt als volgt:

‘Niet meer ter discussie staat tussen partijen dat de man in het kader van de afwikkeling van de nalatenschappen van zijn ouders een bedrag heeft verkregen van € 148.000,=. Voorts staat tussen hen vast dat de gelden zijn overgeboekt naar een rekening waarvan het saldo tot de gemeenschap behoorde. Het privévermogen van de man is derhalve vermengd met het gemeenschapsvermogen. De gemeenschap van partijen is daardoor gebaat met een bedrag van € 148.000,=. De man heeft in beginsel een vergoedingsrecht op de gemeenschap van € 148.000,=. De rechtsvraag die beantwoord moet worden is of de man zijn vergoedingsrecht jegens de gemeenschap kan verzilveren. De vrouw heeft daartoe enkel gesteld dat de gelden ten behoeve van beiden, maar ook ten behoeve van de man alleen verteerd zijn, maar dat dat niet meer valt te achterhalen. Het hof heeft zulks dan ook niet kunnen vaststellen. In het geval de gelden verteerd zijn door consumptieve uitgaven betekent dat in beginsel nog niet dat de man zijn vergoedingsvordering niet kan verzilveren. De onderhavige gemeenschap omvat nog voldoende activa waaruit de vergoedingsvordering kan worden voldaan. Door de vrouw zijn ook geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat de redelijkheid en billijkheid zich er tegen zouden verzetten dat de man zijn recht jegens de gemeenschap zou effectueren. [...] Gezien hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen is het hof van oordeel dat de man zijn vergoedingsrecht kan effectueren.’ 

Het Hof Den Haag stelt dus eerst vast dat er in beginsel een vergoedingsrecht ontstaat doordat privévermogen is vermengd met het gemeenschapsvermogen (zoals het Hof Arnhem-Leeuwarden) en beantwoordt daarna de rechtsvraag of dit vergoedingsrecht ook te gelde kan worden gemaakt. Bij de beantwoording van deze vraag betrekt het Hof Den Haag tevens in zijn oordeel (i) of de gemeenschap voldoende activa bevat om de vergoedingsvordering uit te keren, (ii) of de vordering in overeenstemming is met de redelijkheid en billijkheid en (iii) of de gelden zijn besteed om privéschulden te voldoen.(24)

 De Hoge Raad heeft met zijn uitspraak van 5 april 2019 een einde gemaakt aan deze ‘battle of the courts of appeal’. In deze uitspraak van de Hoge Raad gaat het om het volgende. Partijen zijn in 1985 met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd. Aan de vrouw is in 2002, 2004 en 2006 door haar ouders telkens een bedrag van € 10.000 geschonken onder een uitsluitingsclausule zoals bedoeld in art. 1:94 lid 2 sub a (oud) BW. De geschonken bedragen zijn overgeboekt naar de gemeenschappelijke bankrekeningen van partijen. In 2014 is het huwelijk van partijen door echtscheiding ontbonden. In geding vordert de vrouw een verklaring voor recht dat zij een aanspraak op de gemeenschap heeft ter hoogte van de nominale waarde van de schenkingen, derhalve van € 30.000, dan wel veroordeling van de man tot betaling van een bedrag van € 15.000 aan de vrouw. Rechtbank Oost-Brabant heeft de vordering van de vrouw toegewezen. Het Hof ’s-Hertogenbosch heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de vorderingen van de vrouw alsnog afgewezen. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen:

‘Nu het geschonken geld op de gemeenschappelijke rekening van partijen is terechtgekomen, op de peildatum niet meer traceerbaar aanwezig was en evenmin is komen vast te staan aan welke specifieke uitgaven het is besteed dan wel dat partijen over de besteding van dit geld met elkaar afspraken hebben gemaakt, moet het ervoor worden gehouden dat de met uitsluiting ontvangen gelden zijn geconsumeerd, opgemaakt aan bestedingen die geen aanleiding geven tot een vergoedingsrecht. Dat dit anders zou zijn is gesteld noch gebleken.’

De Hoge Raad is echter van oordeel dat de omstandigheid dat de gelden zijn besteed ten behoeve van consumptieve doeleinden op zichzelf niet afdoet aan het vergoedingsrecht van de vrouw.(25) De Hoge Raad overweegt daartoe allereerst het volgende:

 ‘Uitgangspunt in deze zaak is [...] dat de door de vrouw ontvangen schenkingen van in totaal € 30.000,-- uitsluitend aan haar toekomen, nu die schenkingen zijn gedaan onder de in art. 1:94 lid 2, onder a, (oud) BW omschreven uitsluitingsclausule. Doordat de geschonken bedragen op een gemeenschappelijke bankrekening van partijen zijn overgeboekt, is het totaalbedrag van € 30.000,--, naar het in zoverre onbestreden oordeel van het hof, door vermenging tot het gemeenschapsvermogen gaan behoren (rov. 3.6.4.4). Het wettelijk stelsel van titel 7 van boek 1 BW brengt dan mee dat de vrouw als gevolg van deze vermogensverschuiving in beginsel jegens de gemeenschap recht heeft op vergoeding van dat bedrag (vgl. art. 1:95 lid 2 BW en art. 1:96 lid 4 (voorheen lid 3) BW).’

De Hoge Raad oordeelt hier dat een enkele vermogensverschuiving tussen privé- en gemeenschapsvermogen reeds aanleiding geeft voor een vergoedingsrecht op grond van art. 1:95 lid 2 en art. 1:96 lid 4 BW. De Hoge Raad onderbouwt dit vervolgens als volgt:

‘Het door de vrouw onder de uitsluitingsclausule verkregen bedrag van € 30.000,-- dat op de gemeenschappelijke bankrekening van partijen is overgeboekt, is volgens de vaststelling van het hof (rov. 3.6.4.5 en 3.6.4.7) aangewend voor diverse bestedingen. Die omstandigheid doet echter op zichzelf niet af aan het vergoedingsrecht van de vrouw zoals hiervoor in 3.3.2 (slot) omschreven, omdat het erom gaat of die bestedingen betrekking hadden op gemeenschapsschulden dan wel op privéschulden van de vrouw.’

 Volgens de Hoge Raad gaat het niet om de vraag welke bestedingen met het vermogen zijn gedaan, maar om de vraag of die bestedingen betrekking hadden op gemeenschapsschulden of privéschulden. In het geval dat vanuit het gemeenschapsvermogen gemeenschapsschulden zijn voldaan, is er onverkort sprake van een vergoedingsrecht van de vrouw op de gemeenschap, nu de gemeenschap daardoor is gebaat bij het aan de vrouw toekomende bedrag:

‘Voor zover uit het gemeenschapsvermogen (de gemeenschappelijke bankrekening waarop het bedrag van € 30.000,-- is overgeboekt) gemeenschapsschulden zijn voldaan, brengt dat geen wijziging in het recht van de vrouw op vergoeding als bedoeld aan het slot van 3.3.2 hiervoor. Dan geldt immers nog steeds dat de gemeenschap is gebaat door het aan de vrouw toekomende bedrag van € 30.000,--.’

In het geval de bestedingen vanuit het gemeenschapsvermogen zijn besteed aan privébestedingen van de vrouw, ontstaat er een vergoedingsvordering van de gemeenschap op de vrouw (récompense) die verrekend kan worden met het vergoedingsrecht van de vrouw (de reprise):

‘Voor zover echter uit het gemeenschapsvermogen privéschulden van de vrouw zijn voldaan, is zij op grond van art. 1:96 lid 5 (voorheen lid 4) BW gehouden tot vergoeding van het daarmee gemoeide bedrag aan de gemeenschap. In dat geval zal de hiervoor in 3.3.2 (slot) bedoelde vergoedingsvordering van de vrouw verrekend kunnen worden met haar schuld uit hoofde van art. 1:96 lid 5 BW.’

Om vast te kunnen stellen of de bestedingen zien op gemeenschapsschulden, sluit de Hoge Raad aan bij het bewijsvermoeden van art. 1:94 lid 5 (oud) BW:  

‘Uit de regel van art. 1:94 lid 5 (oud) BW dat alle schulden van ieder van de echtgenoten tot de huwelijksgemeenschap behoren, met uitzondering van de aldaar onder a en b genoemde schulden en van de in art. 1:94 lid 3 (oud) BW (thans lid 5) bedoelde schulden die aan een van de echtgenoten zijn verknocht, volgt het vermoeden dat de tijdens huwelijk uit het gemeenschapsvermogen voldane schulden gemeenschapsschulden zijn. In dit geval, waarin uitgaven zijn gedaan van de gemeenschappelijke bankrekening van partijen, geldt dus ten gunste van de vrouw het vermoeden dat deze uitgaven betrekking hebben gehad op gemeenschapsschulden, hetgeen meebrengt dat het vergoedingsrecht van de vrouw jegens de gemeenschap door die uitgaven niet aangetast is (zie hiervoor in 3.3.3).’

 Het bewijsvermoeden van art. 1:94 lid 5 (oud) BW, werkt in het voordeel van de reprisegerechtigde (lees: in casu de vrouw). Hierbij wordt door de Hoge Raad nog opgemerkt dat zowel consumptieve bestedingen als schulden ten behoeve van de kosten van de huishouding gemeenschapsschulden betreffen:

‘Daarbij verdient opmerking dat in geval van een huwelijksgemeenschap ook uitgaven in verband met consumptieve bestedingen zijn aan te merken als voldoening van gemeenschapsschulden. Hetzelfde geldt voor uitgaven in verband met de kosten van de huishouding als bedoeld in art. 1:84 BW, ongeacht hoe ingevolge deze bepaling de draagplicht ter zake van die kosten tussen de echtgenoten verdeeld is.’ 

Ook consumptieve bestedingen en uitgaven in verband met de kosten van de huishouding, tasten deze reprise dus niet aan. In zijn uitspraak van 5 april 2019 lijkt de Hoge Raad de lijn van het Hof Arnhem-Leeuwarden te volgen. Maar ook de lijn van Hof Den Haag lijkt door de Hoge Raad te worden onderschreven: 

‘Het ligt op de weg van de andere echtgenoot, de man in dit geval, om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen op grond waarvan het vergoedingsrecht van de vrouw jegens de gemeenschap niet (of niet volledig) geldend kan worden gemaakt. Dat is bijvoorbeeld het geval voor zover uit het gemeenschapsvermogen privéschulden van de vrouw zijn voldaan (zie hiervoor in 3.3.3), of indien uitdrukkelijk of stilzwijgend is afgesproken dat de vrouw met betrekking tot bepaalde uitgaven ter zake van gemeenschapsschulden geen aanspraak op vergoeding heeft, ook al zijn die uitgaven geheel of ten dele gefinancierd uit aan haar toekomend vermogen.’

Interessant is verder nog de opmerking van de Hoge Raad over de kosten van de huishouding van art. 1:84 BW: 

‘(...) volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat denkbaar is dat de vrouw minder heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding dan waartoe zij in haar verhouding tot de man op grond van art. 1:84 BW gehouden was. In dat geval – ter zake waarvan de stelplicht en bewijslast eveneens op de man rusten – heeft (niet de gemeenschap maar) de man aanspraak erop dat de vrouw het tekort aan hem vergoedt. Een dergelijke vordering op grond van art. 1:84 BW is in deze zaak echter niet aan de orde. In de praktijk zal een zodanige vordering vaak verdisconteerd kunnen worden bij de verdeling van de gemeenschap tussen de echtgenoten.’ 

De Hoge Raad oordeelt dat, hoewel de kosten van de huishouding dienen te worden aangemerkt als gemeenschapsschulden, er – in het geval de ene echtgenoot meer heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding dan waartoe hij op grond van art. 1:84 BW gehouden was – geen vergoedingsrecht op de gemeenschap ontstaat, maar een vordering van de ene echtgenoot op de andere echtgenoot. Om die reden kan er geen reprise met een récompense worden verrekend, maar dient eerst door de gemeenschap de reprise aan de ene echtgenoot te worden voldaan en dient vervolgens (indien voldaan is aan de stelplicht en bewijslast in dat kader) te worden vastgesteld of de andere echtgenoot in privé nog een vordering heeft op de ander uit hoofde van art. 1:84 BW. Voor de praktijk is dit onderscheid van belang om de vordering op juiste wijze in te kunnen stellen.

Implicaties voor de praktijk  

Door de uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019 is duidelijk geworden dat ook sprake kan zijn van een vergoedingsrecht in het geval er met privévermogen consumptieve bestedingen zijn voldaan. Het wettelijke bewijsvermoeden van art. 1:94 lid 5 (oud) BW brengt met zich dat wanneer privévermogen van de ene echtgenoot aan de gemeenschap ten goede is gekomen, daaruit het vermoeden volgt dat deze gelden zijn besteed ten behoeve van gemeenschapsschulden waardoor er een vergoedingsvordering bestaat van de echtgenoot op de gemeenschap (reprise). Ook consumptieve bestedingen en kosten van de huishouding dienen daarbij te worden aangemerkt als gemeenschapsschulden. De Hoge Raad zet hiermee een streep door de lijn in de lagere rechtspraak die vooral door het Hof ’s-Hertogenbosch werd toegepast. Wij menen dat de Hoge Raad met zijn arrest wel ruimte laat om de lijn zoals ingezet door het Hof Den Haag voort te zetten. In deze discussie kan de vorm van besteden van het privévermogen – ongeacht dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat consumptieve besteding van privévermogen niet aan het ontstaan van een vergoedingsrecht in de weg kan staan – nog steeds een rol spelen, aangezien deze vorm van besteding wel aan het te gelde maken van deze aanspraak in de weg kan staan. Bij de discussie over of het vergoedingsrecht te gelde kan worden gemaakt, kan met verwijzing naar jurisprudentie van het Hof Den Haag ook een beroep worden gedaan op andere omstandigheden, bijvoorbeeld of de gemeenschap voldoende activa bevat om uit te keren. In de situatie waarover de Hoge Raad oordeelde, stond vast dat de gemeenschap voldoende vermogen had om het privébedrag terug te betalen. Dit bedrag (€ 30.000) stond gereserveerd op de derdenrekening van een van de advocaten terwijl het overige vermogen al was verdeeld. 

De Hoge Raad baseert zijn uitspraak onder meer op het bewijsvermoeden van art. 1:94 lid 5 (oud) BW. De vraag is of deze uitspraak zijn relevantie behoudt voor huwelijken gesloten op of na 1 januari 2018, nu de omvang van de gemeenschap sinds de inwerkingtreding van de ‘Wet beperking wettelijke gemeenschap van goederen’ ten aanzien van de schulden in aanzienlijke mate is beperkt. Hiermee verliest de aanzuigende werking haar betekenis, met gevolgen voor het bewijsrisico voor het geval slechts een van de echtgenoten schuldenaar is van die schuld.(26) Bovendien volgt uit de parlementaire geschiedenis bij deze wet dat de wetgever nadrukkelijk heeft afgezien van het opnemen van een wettelijk bewijsvermoeden waarbij een schuld wordt vermoed een gemeenschapsschuld te zijn.(27) Voor gezamenlijke schulden en schulden ten behoeve van de kosten van de huishouding zoals bedoeld in art. 1:84 BW, blijft evenwel gelden dat zodra het bestaan daarvan is bewezen deze tot de gemeenschap horen. Wie dit betwist, draagt daarvan het bewijsrisico. 

Hoe anders was het verloop van de zaak geweest wanneer de vrouw haar erfenis op een privébankrekening had geplaatst – in plaats van de op de gemeenschapsrekening – en vanaf daar verschillende consumptieve betalingen had gedaan. Kan de vrouw dan enkel aanspraak maken op een vordering uit hoofde van art. 1:84 BW of dient in een dergelijk geval dan eerst te worden vastgesteld dat er sprake is geweest van het voldoen van een gemeenschapsschuld, zodat de vrouw aanspraak kan maken op een reprise en dient de man daarna een vordering uit hoofde van art. 1:84 BW jegens de vrouw in te stellen, omdat hij – wanneer de vrouw aanspraak kan maken op deze reprise – vervolgens te veel heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding, zodat hij in dat geval aanspraak kan maken op een vordering op de vrouw uit hoofde van art. 1:84 BW? Dat zou wel tot een gelijkwaardige uitkomst leiden. Echter meer voor de hand ligt dat in een dergelijke situatie de vrouw slechts aanspraak kan maken op een vordering uit hoofde van art. 1:84 BW (zie onder meer de recente uitspraak van de Rechtbank Limburg van 15 mei 2019).(28) Wat is de bedoeling van de Hoge Raad? Verder lijkt de uitspraak niet bevredigend te zijn voor die gevallen waarbij het niet om consumptieve bestedingen zal gaan, maar er bijvoorbeeld kosten ten behoeve van de aankoop van een woning zijn gemaakt. Deze vergoedingsrechten behoren op grond van art. 1:87 lid 2 BW conform de beleggingsleer te worden begroot. Het in dergelijke gevallen onverkort toepassen van de nominaliteitsleer kan tot grote verschillen leiden in uitkomst. In de visie van Subelack en Brinkman zou hierbij wel ruimte voor de beleggingsleer bestaan. Gezien de in 2012 in werking getreden ‘Wet aanpassing wettelijke gemeenschap van goederen’– waarbij nadrukkelijk onderscheid wordt gemaakt in de aard van de gemeenschapsschuld – lijkt naar onze mening ook de wetgever de voorkeur te willen geven aan deze benadering en het zou dus wenselijk zijn als de jurisprudentie hierop zou aansluiten. 

Nu in de uitspraak van de Hoge Raad onbestreden was gesteld dat vermenging had plaatsgevonden, heeft de Hoge Raad zich (helaas) niet kunnen uitlaten over de door Subelack en Brinkman voorgestane alternatieve zienswijze.(29) Vermenging mag ook naar onze mening niet zomaar worden aangenomen. Deze visie heeft verregaande gevolgen voor de bewijspositie van de echtgenoot die stelt een vergoedingsrecht op de gemeenschap te hebben. Ook hier kan de rechtspraktijk verder mee aan de slag.(30) Deze zienswijze is naar onze mening des te meer van belang voor de huwelijken gesloten op of na 1 januari 2018.

Aanbevelingen  

De Hoge Raad is met een praktische en formele uitspraak gekomen: op grond van art. 1:94 lid 5 (oud) BW wordt aangenomen dat de tijdens het huwelijk uit het gemeenschapsvermogen voldane schulden gemeenschapsschulden betreffen, waarbij – als er sprake is van een vermogensverschuiving tussen privé- en gemeenschapsvermogen – er een vergoedingsrecht ontstaat ingevolge art. 1:95 lid 2 BW en 1:96 lid 4 BW. Verdere omstandigheden spelen bij het ontstaan van het vergoedingsrecht geen rol, waardoor op dit punt een hoop discussie kan worden voorkomen. Met deze uitspraak van de Hoge Raad is er evenwel nog voldoende ruimte om bij consumptieve bestedingen van gemeenschapsvermogen – dat met privévermogen is gevoed – vergoedingsrechten te bestrijden. Gezien de bewijslastverdeling zoals die voortvloeit uit de uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019 vergt dit wel de nodige inspanningen van een advocaat. Op grond van vorenstaande komen wij tot de volgende aanbevelingen, zonder daarbij overigens de illusie te hebben dat deze uitputtend zijn:

 Stel in een procedure waarin een dergelijk vergoedingsrecht ter beoordeling voorligt de kwalificatie van een bankrekening ter discussie, berust niet in het standpunt dat er sprake is van (oneigenlijke) vermenging van vermogen.
 Stel het te gelde maken van de aanspraak ter discussie, zoals in de jurisprudentie van het Hof Den Haag, waarbij de aard van de bestedingen wel degelijk een rol kan spelen.
 Let erop dat wanneer een beroep wordt gedaan op een aanspraak op grond van art. 1:84 BW in dat geval de stelplicht en bewijslast rust op degene die zich beroept op dit artikel, dat dit géén reprise betreft, maar een vordering van de ene echtgenoot op de ander.
– 
Let erop dat bij het instellen van een verweer tevens aanspraak wordt gemaakt op het daaruit voorvloeiende rechtsgevolg, dus maak aanspraak op – en begroot de omvang van – de vordering voortvloeiende uit art. 1:84 BW en beroep je op het recht om deze vordering in het kader van de verdeling te verrekenen.
 Stel de bewijslastverdeling voor huwelijken gesloten op of na 1 januari 2018 ter discussie.

Afronding 

Wij hebben in deze bijdrage stilgestaan bij de uitspraak van de Hoge Raad van 5 april 2019 en deze in het perspectief geplaatst van eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad, de lagere rechtspraak en de vanaf 1 januari 2018 geldende Wet beperkte gemeenschap van goederen. In deze uitspraak heeft de Hoge Raad bevestigd dat een vergoedingsrecht bestaat indien tijdens het bestaan van de huwelijksgemeenschap uit het privévermogen van een echtgenoot betalingen zijn gedaan ten behoeve van consumptieve bestedingen. Met deze uitspraak heeft de Hoge Raad handvatten gegeven rondom het toepassen van de uitsluitingsclausule in het huwelijksvermogensrecht, een vraagstuk dat de lagere rechtspraak lange tijd verdeeld hield en in de praktijk vaak aan de orde is. Met deze uitspraak van de Hoge Raad zijn echter ook vragen onbeantwoord gebleven. Er is hier weer een rol voor advocaten weggelegd. De advocatuur is aan zet.

(1) Zie ook: B. Breederveld, De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding. De omvang, ontbinding en verdeling door de rechter, 2008, p. 243-246.

(2) De vraag is evenwel of deze bepaling eveneens van toepassing is wanneer er consumptieve uitgaven worden voldaan, niet zijnde consumptieve goederen, nu art. 1:87 lid 3 BW expliciet spreekt over goederen, zie onder meer: A.J.M. Nuytinck, Personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht en erfrecht, Deventer: Kluwer 2018, p. 92.

(3) Zie hierna: HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504, r.o. 3.3.4. 

(4) Nuytinck, A. J. M., ‘Uitsluitingsclausule, “reprises” en “récompenses”, kosten van de huishouding: Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504’, Ars Aequi: juridisch studentenblad, 2019, 5, p. 384-389.

(5) C onclusie A-G M.L.C.C. Lückers bij arrest van 5 april 2019, ECLI:NL:PHR:2019:58, 18 januari 2019, zie nr. 2.10 e.v.

(6) Zie ook T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, EB Klassiek 2018/2.4.1. 

(7) B . Breederveld (2008). ‘De huwelijksgemeenschap bij echtscheiding. De omvang, ontbinding en verdeling door de rechter’, (proefschrift Vrije Universiteit), p. 243-246; A.J.M. Nuytinck (2018). Personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht en erfrecht, p. 92. Dit standpunt wordt gedeeld door Van Duijvendijk-Brand. Zie J. van Duijvendijk-Brand, ‘Van een algehele naar een beperkte gemeenschap; hoe blijft wat privé is privé?’, EB 2006/1. 

(8) Zie L.H.M. Zonnenberg, ‘Vergoedingsvordering en zaaksvervanging’, EB 2013/60. 

(9) Deze visie van Zonnenberg is bekritiseerd door Subelack. Subelack meent dat de visie van Zonnenberg zich lastig verhoudt met het beginsel van boedelmenging. Volgens Subelack is een goed bij de verkrijging of tot de gemeenschap gaan behoren, of niet. Dat kan later niet meer anders worden. Ook stelt Subelack dat Zonnenberg zichzelf tegenspreekt door enerzijds te stellen dat er sprake is van vermenging bij storting – omdat het geld niet meer traceerbaar is – en anderzijds te stellen dat het geld toch weer kan worden afgezonderd. Zie: T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, EB Klassiek 2018/2.4.1. 

(10) Meijer verwijst daarbij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 13 december 1918, NJ 1919/157. 

(11) W.R. Meijer, De afwikkeling van een huwelijksgemeenschap, 2009, p. 35-36.

(12) T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, EB Klassiek 2018/2.4.1, p. 78. 

(13) K ern van het giraal betalingsverkeer is volgens Subelack juist dat schulden en vorderingen ontstaan en tenietgaan. 

(14) Zie Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 518: ‘De in het saldo begrepen, nog niet verrekende vorderingen, blijven voortbestaan. Behoudens andersluidende afspraak worden zij niet genoveerd, noch door de opneming in de rekening, noch door de erkenning van het saldo. [...].’ 

(15) T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, EB Klassiek 2018/2.4.1, p. 83. 

(16) HR 23 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:270, r.o. 4.1.5 en 4.3.7. 

(17) T.M. Subelack, ‘De verknochtheid van een ontslagvergoeding’, EB 2014/72. In dit geval gaat om de uitbetaling op een gemeenschapsbankrekening van op grond van verknochtheid als privévermogen kwalificerende gelden, welk geval gelijk is te stellen met onder uitsluiting verkregen geldbedragen.

(18) R .E. Brinkman, ‘De uitsluitingsclausule op het scherp van de snede’, WPNR 7243, 2019, p. 466-468; zie ook: B. Bierens, ‘Revindicatoire aanspraken op giraal geld: Enkele beschouwingen over geld, vermogensovergang en verhaalsregulering in de context van het girale betalingsverkeer’ (diss. Tilburg 2009). 

(19) Vergelijk ook: HR 12 januari 1968, NJ 1968/274: het ging hier om aandeelcertificaten die niet langer voldoende individualiseerbaar waren, omdat de serienummers niet bekend waren en de eigenaren niet konden aantonen dat de in de kluis aangetroffen certificaten ook daadwerkelijk de door hen in bewaring gegeven exemplaren betroffen. Doordat er een steeds wisselende samenstelling van de certificaten was, bleek het een onmogelijke opgave om de oorspronkelijke certificaten te identificeren. 

(20) Hof ’s-Hertogenbosch 6 maart 2012, ECLI:NL:GHSHE:2012:BV9349, RFR 2012/82; Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 7 november 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4752; Hof ’s-Hertogenbosch 14 november 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4872. Het hof vindt in zijn uitspraken aansluiting bij de visie van Meijer. Ook andere gerechten hebben – zij het sporadisch – langs deze lijn geoordeeld, bijvoorbeeld de Rechtbank Utrecht in een uitspraak van 23 december 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BK8081. 

(21) Hof Arnhem Leeuwarden 17 januari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ1977, r.o. 4.4; Hof Arnhem-Leeuwarden 28 september 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:8540; Hof Arnhem-Leeuwarden 17 april, ECLI:NL:GHARL:2018:3558. 

(22) Hof Arnhem 6 november 2007, ECLI:NL:GHARN:2007:BC0205; Hof Arnhem-Leeuwarden 15 januari 2008, ECLI:NL:GHARN:2008:BC5700; Hof Den Haag 5 maart 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BC7189; Rb. Den Haag 19 november 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BK1147; Hof Den Haag 7 april 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BM4387; Hof Amsterdam 21 augustus 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BY8044; Hof Arnhem 27 september 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BY3780; Hof Arnhem-Leeuwarden 17 januari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ1977; Rb. Noord-Nederland 25 februari 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:815 (doch oordeelt de rechtbank dat een deel van het vergoedingsrecht is prijsgegeven door de aanschaf van een auto). 

(23) Hof Den Haag 11 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3780. Voor een eerdere uitspraak van het Hof Den Haag zie 7 april 2010, ECLI:NL:GHSGR:2010:BM4387. 

(24) Concl. A-G M.L.C.C. Lückers bij arrest van 5 april 2019 , ECLI:NL:PHR:2019:58, 18 januari 2019, zie nr. 2.13.

(25) A.J.M. Nuytinck, ‘Uitsluitingsclausule, “reprises” en “récompenses”, kosten van de huishouding: Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:504’, Ars Aequi: juridisch studentenblad, 2019, 5, p. 384-389. 

(26) J .H. Lieber, ‘Schulden in het huwelijksvermogensrecht naar huidig en komend recht’, FJR 2016/53. 

(27) Kamerstukken II 2016/17, 33987; Kamerstukken II 2014/15, 33987, nr. 11, p. 3-4. 

(28) Zie bijvoorbeeld: Rb. Limburg 15 mei 2019, nr. C/03/248119 / FA RK 18- 1141 e.a., ECLI:NL:RBLIM:2019:5984.

(29) T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, EB Klassiek 2018/2.4.1. 

(30) R b. Limburg 15 mei 2019, nr. C/03/248119 / FA RK 18-1141 e.a., ECLI:NL:RBLIM:2019:5984.

       

SmeetsGijbels Amsterdam

Postbus 78067
1070 LP Amsterdam
Jacob Obrechtstraat 70
1071 KP Amsterdam
T +31 (0)20 574 77 22
F +31 (0)20 574 77 33
info@smeetsgijbels.com

SmeetsGijbels Rotterdam

Postbus 1629
3000 BP Rotterdam
Westersingel 84
3015 LC Rotterdam
T +31 (0)10 266 66 66
F +31 (0)10 266 66 55
E info@smeetsgijbels.com

logo fas
logo voh
logo iafl
logo mfi
logo kidsrights